Wie ooit een nieuw mensje in de armen hield, heeft het ongetwijfeld gezien: de volmaaktheid van dat nieuwe leven. De pure perfectie van tien vingertjes en tien teentjes. Van de oortjes, het kleine neusje en het petieterig mondje dat klaar is om moedermelk te drinken. De volmaaktheid, pure liefde misschien zelfs, die zichtbaar is in de, dan nog vaak blauwe, oogjes.

We zien het sublieme van dit wezentje, zelfs als het gezichtje nog verkreukeld is na de geboorte, haartjes ontbreken en de mini-gezichtsuitdrukking duidelijk lijkt te maken dat het nog even wennen is, dat bestaan in de buitenlucht.

We kijken naar dat nieuwe leven en zien dat het goed is zoals het is. Wat een wonder. Niks meer aan doen behalve wat voedsel, warmte en regelmatig een schone luier. Dat kleintje wordt vanzelf groot(s), in al zijn perfectie.

Je legt de baby neer of geeft hem of haar terug aan de ouders en gaat door met je dag en denkt: “Jeezz, wat ben ik toch een zacht ei. Janken omdat ik een baby vasthield”.

’s Avonds moet er gekookt worden maar daar heb je geen zin in: “Lui mormel, wil je vroeg dood ofzo dat je weer aan de afhaalchinees gaat?”, schiet er door je hoofd.

Na het eten, op de bank of in de sportschool (de locatie maakt voor kritisch over jezelf zijn geen verschil), drijven gedachten voorbij als: “Wat een loser ben ik toch” (vanwege je couch potato gedrag of omdat je ‘maar’ 35/65/85 kilo kunt pompen in de Fit-for-Life), “Ik heb vandaag weer fucking teveel/te weinig gewerkt” (omdat je een regel hebt over acceptabele werk- of noodzakelijke slaapuren) en/of “Sukkel, weer je eenzame moeder niet gebeld”.

Voor je naar bed gaat, poets je je tanden en wordt je onvermijdelijk met je spiegelbeeld geconfronteerd: “Kansloos, deze ouwe kop”, “afzichtelijke neus”, “logisch dat ik alleen ben, met dit hoofd” of een willekeurig andere kritische gedachte popt op. De zelfkastijding stopt pas als je slaapt.

Laten we even een x-aantal jaren terugspoelen, naar het moment dat jij daar als een perfecte baby in je wiegje of de box lag. En ome Jan met de enorme wijsvinger van zijn dikke knuisten over je wangetje wreef, onderwijl mompelend: “Kansloos, dit rimpelige gevalletje”. Met tante Tinie naast hem, die beamend knikte en zei: “Wat een kleine loser, dit luie mormeltje is echt nergens anders goed voor dan luiers volschijten, dat wordt niks, dit kind, geen enkele zelfdiscipline”.

Dat is ondenkbaar, toch? Als iemand al dacht dat je erg rimpelig was en vreesde voor hoe je op zou drogen, dan werd het niet gezegd omdat voor iedereen duidelijk was dat je, rimpels en al, puur en onbetaalbaar waardevol leven was.

Maar dan hier en nu. Jijzelf. Hoe jij over dat inmiddels groot gegroeide baby’tje oordeelt. De bagger die je over jezelf denkt en gelooft met geen enkel besef meer van de perfectie die je toen was. Nog steeds bent, trouwens.

Dat pure leven dat je als baby was, dat is niet met de noorderzon vertrokken. Niet stiekem uit je weg gesijpeld in groep 4 of toen je bleef zitten in Havo 3. Niet uitgedoofd tijdens je eerste liefdesverdriet of die keer dat je je zo enorm verveelde. Niet op wonderbaarlijke wijze gemuteerd van volmaakt naar incapabele needy nerd. Het enige dat er is veranderd, is dat je per ongeluk je eigen Ome Jan & Tante Tinie bent geworden doordat je de perfectie die je nog steeds bent, niet als zodanig herkent.

Geen wonder dus dat al je pogingen om een beter mens te worden, nooit echt hielpen. De mentale stokslagen die je aan jezelf uitdeelde, de zelfhulpboeken die je las of het  jarenlang met een zere kont op een meditatiematje zitten… het kan niet heel of beter maken wat nooit stuk was.

Er is niks mis met je. Je bent hooguit vergeten dat je dat perfecte baby’tje bent in een groter lijf. Een onovertroffen, unieke uitdrukking van het leven zelf. 

Heel.

100% okay.

Kappen dus, met dat commentaar, Ome Jan!

PS. Als je klaar bent met je eigen Ome Jan zijn maar niet precies weet hoe je dit gedrag moet of kan loslaten, dan ben je heel welkom om aan te sluiten tijdens de Shiftdag van 17 oktober aanstaande. Klik hier voor meer informatie.